Groep C - ronde 6: Schaken is voetbal, voetbal is schaken

Over voetbal zeggen ze wel eens: zijn er dan geen belangrijker zaken in het leven? Zeker, die zijn er. En zo is het ook met schaken: soms zijn er belangrijkere dingen. Zoals? Precies: voetbal! Het ONJK team heeft dat goed begrepen en organiseert daarom op donderdagmiddag traditioneel een voetbaltoernooi.

Het is opvallend hoe populair voetbal is bij schakers. Voetbal is op afstand de tweede sport van de gemiddelde schaker. Hoe kan dat toch? Op het eerste gezicht denk je immers: schaken is voor de slimmerds en de wat meer rustige typen - en voetbal voor de dommerds en de rouwdouwers. Toch?

Als je je echter wat meer in deze kwestie verdiept ga je langzaam aan de frappante overeenkomsten tussen beide sporten opmerken. Zozeer zelfs dat je tot het vermoeden komt dat hier meer aan de hand is.

Bij beide sporten ligt de oorsprong in een ver verleden. Bij voetbal gaat die gaat eeuwen terug, die van het schaken zelfs millennia. Voor de werkelijke oorsprong echter van beide sporten - zo is mijn theorie, jawel - moeten we veel en veel verder terug gaan. Ergens tot in de prehistorie.

Het kan niet anders of voetbal en schaken hebben dezelfde oorsprong. Zoals apen en mensen evolutionair een gemeenschappelijke voorouder hebben, zo moeten schaken en voetbal voortgekomen zijn uit een en dezelfde oersport. Door een honderdduizenden jaren durende evolutie hebben schaken en voetbal zich – waarschijnlijk geheel volgens de darwinistisch principes - ontwikkeld tot de twee aparte sporten die het nu zijn. Voor wie er oog voor heeft is zijn de van oudsher overgebleven overeenkomstige eigenschappen volop herkenbaar in beide spellen. Kijk maar eens ...

Bij het schaken heb je de koning. In het voetbal de keeper. Bij het schaken dient de koning mat gezet te worden. In het voetbal moet je de keeper zien te verschalken. De weg waarlangs dit doel bereikt kan worden, dat is waar het bij beide spelletjes allemaal om te doen is. Bij voetbal. Bij schaken. Onnoemelijk is het aantal mogelijkheden om tot het gewenste resultaat te komen. Bij het schaken zijn en worden er bibliotheken vol over geschreven, het voetbal kent zijn talloze voetbalbladen en praatprogramma’s met hun oneindige en oeverloze geneuzel. Waar gaat het allemaal over. Over niks. Of - het is maar hoe je het bekijkt - over alles.

De koning van het schaken is dus de keeper in het voetbal. De twee backs – de vleugelverdedigers – zijn de torens. Zowel in het schaken als in het voetbal staan ze achter in de hoek opgesteld. De rol van de backs en de torens komen meestal pas later in het spel tot uitdrukking. Bij voetbal is verdedigen hun eerste taak, maar om te winnen moeten ze zich ook met de aanval bemoeien. De loop van de backs is die van de rechte lijn. Zoals de lijn van de toren. De back moet aan de zijlijn blijven, dat is zijn gebied. De back is op zijn gevaarlijkst als hij de achterlijn haalt om vandaar de voorzet af te geven. Zoals de toren in het schaakspel op de zevende rij het meeste gevaar sticht.

Behalve langs de zijkant gaat de toren in het schaakspel vaak ook door het midden recht naar voren. Dat komt door de rokade. Het voetbal kent de rokade niet. Daarom blijven de backs langs de zijlijn. Als voetballiefhebber hebt u daar waarschijnlijk nog nooit bij stil gestaan, maar zo zit dat dus.

Dan het paard. Door zijn beperkte bereik heb je in het schaken uiteindelijk liever een loper of een toren om over de dame maar te zwijgen. Maar zonder paarden is het schaakspel onmogelijk te spelen. In het voetbal heb je ze ook, de paarden, het zijn de harde werkers - de werkpaarden – uitsluitend spelend in dienst van de anderen, maar net zo onmisbaar als hun soortgenoten binnen het schaak. Heel soms zijn ze even de held, omdat ze een doelpunt maken of de vijandelijke koning mat zetten. En altijd gun je dat hun het meest, want zij zijn veruit het sympathiekst. In het voetbal. In het schaken.

De loper van het schaakspel is in het voetbal de man van de lange pass. De dieptepass op de spitsen, maar liever nog over de lange diagonaal. Een beroemde loperzet op het voetbalveld is die van Frank de Boer in de kwartfinale Nederland - Argentinië tijdens het WK van 1998, waarmee hij Dennis Bergkamp in staat stelde briljant te scoren.

Komen we bij de dame. Het mag dan de koning zijn om wiens leven het in het schaakspel gaat, maar feitelijk is de koning een tamelijk hulpeloos schaakstuk. Zelfs een pion is sneller op de eerste meters. De dame daarentegen is degene die alle aandacht en bewondering naar zich toetrekt. Machtig, superieur en technisch volmaakt, omdat ze recht én schuin én zover mag als ze zelf wil. Nee, de paardsprong kent ze niet, maar die kromme beweging past ook niet bij haar statuur.

Evenzo is de keeper een gemankeerde voetballer. Iedereen kent het wel, de kruk, die zet je op de goal. De spil waar het in een elftal allemaal om draait is de spelmaker, waarvan er maar één in een team kan zijn. Hij is de dame van het voetbal. De Messi, de Cruyff, de Maradona, enfin iedereen kent de namen. Hij is de geboren leider, de spelverdeler, de kunstenaar, de ster. Hij beheerst alle facetten van het spel, behalve natuurlijk – zoals bij de dame in het schaak – die van het (werk)paard. Want hard werken hoeft hij niet. Het zou ten koste gaan van zijn werkelijke taak, en dat is te schitteren.

Hiermee is dus de populariteit van voetbal bij schakers verklaard. En ook waarom 2/5-e deel van alle ONJK deelnemers, even gepassioneerd als achter het schaakbord, vanmiddag op het voetbalveld stond. Het is maar dat u het even weet. Morgen gaan we gewoon weer schaken.

En o ja, geschaakt werd er ook nog in de ochtend. In de C-groep nam Sourav de leiding over van Max.